Tips voor gebruik
Als de gebruikte grondstoffen die gebruikt worden om potgrond te vervaardigen wijzigen, veranderen daarmee ook de eigenschappen. De producenten letten hierbij in eerste instantie op de kwaliteit en de groei van planten. Het lukt inmiddels doorgaans goed om potgronden te maken die volledig of voor een groot deel zijn samengesteld uit hernieuwbare grondstoffen.
Het kan wel zijn dat je merkt dat deze potgronden anders zijn dan je gewend bent. Het is belangrijk om te accepteren dat dit erbij kan horen en om te weten hoe je hier mee om kunt gaan. Hierbij een aantal voorbeelden en hoe je daar mee om kunt gaan:
Water geven
De meeste grondstoffen houden minder water vast dan turf. Dit kan tot gevolg hebben dat de grond sneller uitdroogt en je wat vaker water moet geven dan je mogelijk gewend bent, Houdt daarom je planten goed in de gaten om te kijken of de bladeren slap gaan hangen. Dat is een eenvoudige aanwijzing dat de plant water nodig heeft. Er zijn ook watermeters te koop die aangeven als de grond droog wordt.
Voeding
Omdat de grondstoffen jonger zijn dan turf is er ook meer biologische activiteit van bacteriën. Deze bacteriën ‘snoepen’ van de voedingstoffen die aan potgrond zijn toegevoegd. Vooral stikstof, wat nodig is voor de groei van planten. Merk je dat je planten achter blijven in groei is het tijd om bij te voeden.
Schimmels
Op jongeren materialen komt vaker schimmelvorming voor. Dat is minder fraai, maar doorgaans geen probleem voor planten en mensen. De schimmelsporen die een voedingsbodem vinden in de potgrond zijn in de lucht aanwezig. En kunnen zowel in de verpakking aanwezig zijn als in potten belanden vanuit de lucht. Doorgaans verdwijnen ze vanzelf.
Potgrondvliegjes
De nieuwe generatie potgronden is mede door de schimmelgevoeligheid een goede plek voor potgrondvliegjes en fruitvliegjes om hun eitjes in te leggen. Dat geeft doorgaans weinig schade voor de plant, maar is wel vervelend. Wat helpt is om de bovenste laag van de potgrond zo droog mogelijk te houden. Dat kan je doen door van onderaf via een schoteltje of pleksgewijs water te geven. Ook afdekken van de bovenlaag met wit zand of vermiculiet kan helpen. Als de overlast erg groot wordt kunnen ze ook bestreden worden met nematoden, ook wel aaltjes genoemd.